Prenataal onderzoek
Hoera, je bent zwanger! Natuurlijk ga je er van uit dat je straks een gezond kindje krijgt. Toch is er een kleine kans dat je baby een aandoening heeft. Of dat hij niet goed groeit. Om daarachter te komen, zijn er allerlei onderzoeken mogelijk. Je hebt het dan over prenatale diagnostiek.Eigenlijk wil je er helemaal niet aan denken: de kans dat er iets mis is met je kindje. Je wilt gewoon lekker genieten van een onbezorgde zwangerschap. Van de andere kant is het een fijn idee dat je baby goed gecontroleerd wordt. En dat kan tegenwoordig met allerlei prenatale testen. Van echo tot triple test en van nekplooimeting tot navelstrengpunctie. Prenataal wil zeggen: vóór de geboorte.
Echo
De meest bekende vorm van prenataal onderzoek is de echo. Daarbij kun je op een beeldscherm naar je baby kijken. Aan het begin van de zwangerschap wordt een echo vaak vaginaal gemaakt; later gebeurt dat via je buik. Er wordt dan een apparaatje over je buik gehaald, dat geluidsgolven uitzendt. Doordat die weerkaatsen, zie je je baby.
De echo kan gedaan worden om te bepalen hoe lang je al zwanger bent, om mogelijke groeiachterstanden te zien of om afwijkingen op te sporen.
Nekplooimeting
Tijdens een echo tussen je 10e en 14e zwangerschapsweek kan er eventueel een nekplooimeting worden gedaan. Dat wil zeggen dat de arts de dikte van de nekplooi opmeet bij je baby.
Daarmee bepaalt hij de kans dat je kind het syndroom van Down heeft. Hoe meer vocht er zit (en hoe dikker dus de nekplooi), hoe groter de kans op Down. Het gaat dus niet om een definitieve diagnose! Ook gezonde kindjes kunnen een verdikte nekplooi hebben.
Triple test
Ook de triple test geeft aan of je een grote of een kleine kans hebt op een baby met het Down-syndroom. De test laat verder zien of er een verhoogd risico bestaat op een open ruggetje. Voor de triple test wordt er eigenlijk alleen wat bloed bij je afgenomen, dat wordt onderzocht op drie (triple) stoffen.
Het is zeker geen routineonderzoek. Normaal gesproken gebeurt het alleen als je ouder bent dan 36 of bijvoorbeeld erfelijke aandoeningen in de familie hebt.
Een week na de bloedafname krijg je de uitslag. Een kans van minder dan 1 op 250 wordt gezien als gunstig. Als de kans op Down groter is dan 1 op 250, zal de specialist je vragen of je een vruchtwaterpunctie of vlokkentest wilt laten doen.
Vruchtwaterpunctie
Bij een vruchtwaterpunctie haalt de arts met een naald wat vruchtwater uit je baarmoeder. Dat vruchtwater wordt op kweek gezet om te kijken of er chromosoomafwijkingen zijn, zoals het syndroom van Down.
Via een echo kijkt de specialist waar hij de naald in je buik moet inbrengen. Meestal krijg je geen verdoving, omdat die prik even pijnlijk is als de ingreep zelf. Het opzuigen van het vruchtwater duurt nog geen minuut.
Je hoeft niet bang te zijn dat je kindje door de punctie te weinig vruchtwater krijgt: je lichaam vult dit snel weer aan. De kans op een miskraam als gevolg van de punctie is 0,3 procent. Het duurt drie weken voordat je de uitslag van dit onderzoek krijgt.
Vlokkentest
Net als de vruchtwaterpunctie is de vlokkentest een onderzoek op chromosoomafwijkingen. Alleen neemt de gynaecoloog in dit geval wat stukjes weefsel weg uit de placenta. Omdat de moederkoek er vlokkerig uitziet, wordt het onderzoek vlokkentest genoemd. Meestal vindt de test rond een zwangerschapsduur van 11 of 12 weken plaats.
De arts kan het weefsel via de vagina weghalen of met een naald via de buikwand. Vaak houd je een paar dagen last van wat buikpijn. Na twee weken heb je de uitslag.
Navelstrengpunctie
Als de resultaten van andere prenatale onderzoeken onduidelijk zijn, wordt er heel soms een navelstrengpunctie gedaan. Dat betekent dat er met een dunne naald bloed uit de navelstreng wordt gehaald. Dit onderzoek vindt altijd plaats na de 18e zwangerschapsweek. De kans op een miskraam als gevolg van de punctie ligt op 1 procent.
Moeilijke keuzes
Wat doe je als je erachter komt dat je kind een aangeboren afwijking heeft? In dat geval kun je voor ontzettend moeilijke keuzes komen te staan: de zwangerschap uitdragen of misschien wel afbreken. Houd dat dus in je achterhoofd als je een besluit neemt over het meewerken aan prenatale testen. Het allerbelangrijkste uitgangspunt: er zijn geen foute keuzes. De beslissing ligt altijd bij jou als ouder en jij moet achter je besluit kunnen staan.
Eigenlijk wil je er helemaal niet aan denken: de kans dat er iets mis is met je kindje. Je wilt gewoon lekker genieten van een onbezorgde zwangerschap. Van de andere kant is het een fijn idee dat je baby goed gecontroleerd wordt. En dat kan tegenwoordig met allerlei prenatale testen. Van echo tot triple test en van nekplooimeting tot navelstrengpunctie. Prenataal wil zeggen: vóór de geboorte.
Echo
De meest bekende vorm van prenataal onderzoek is de
echo. Daarbij kun je op een beeldscherm naar je baby kijken. Aan het begin van de zwangerschap wordt een echo vaak vaginaal gemaakt; later gebeurt dat via je buik. Er wordt dan een apparaatje over je buik gehaald, dat geluidsgolven uitzendt. Doordat die weerkaatsen, zie je je baby.
De echo kan gedaan worden om te bepalen hoe lang je al zwanger bent, om mogelijke groeiachterstanden te zien of om afwijkingen op te sporen.
Nekplooimeting
Tijdens een echo tussen je 10e en 14e zwangerschapsweek kan er eventueel een nekplooimeting worden gedaan. Dat wil zeggen dat de arts de dikte van de nekplooi opmeet bij je baby.
Daarmee bepaalt hij de kans dat je kind het syndroom van Down heeft. Hoe meer vocht er zit (en hoe dikker dus de nekplooi), hoe groter de kans op Down. Het gaat dus niet om een definitieve diagnose! Ook gezonde kindjes kunnen een verdikte nekplooi hebben.
Triple test
Ook de triple test geeft aan of je een grote of een kleine kans hebt op een baby met het Down-syndroom. De test laat verder zien of er een verhoogd risico bestaat op een open ruggetje. Voor de triple test wordt er eigenlijk alleen wat bloed bij je afgenomen, dat wordt onderzocht op drie (triple) stoffen.
Het is zeker geen routineonderzoek. Normaal gesproken gebeurt het alleen als je ouder bent dan 36 of bijvoorbeeld erfelijke aandoeningen in de familie hebt.
Een week na de bloedafname krijg je de uitslag. Een kans van minder dan 1 op 250 wordt gezien als gunstig. Als de kans op Down groter is dan 1 op 250, zal de specialist je vragen of je een vruchtwaterpunctie of vlokkentest wilt laten doen.
Vruchtwaterpunctie
Bij een
vruchtwaterpunctie haalt de arts met een naald wat vruchtwater uit je baarmoeder. Dat vruchtwater wordt op kweek gezet om te kijken of er chromosoomafwijkingen zijn, zoals het syndroom van Down.
Via een echo kijkt de specialist waar hij de naald in je buik moet inbrengen. Meestal krijg je geen verdoving, omdat die prik even pijnlijk is als de ingreep zelf. Het opzuigen van het vruchtwater duurt nog geen minuut.
Je hoeft niet bang te zijn dat je kindje door de punctie te weinig vruchtwater krijgt: je lichaam vult dit snel weer aan. De kans op een miskraam als gevolg van de punctie is 0,3 procent. Het duurt drie weken voordat je de uitslag van dit onderzoek krijgt.
Vlokkentest
Net als de vruchtwaterpunctie is de
vlokkentest een onderzoek op chromosoomafwijkingen. Alleen neemt de gynaecoloog in dit geval wat stukjes weefsel weg uit de placenta. Omdat de moederkoek er vlokkerig uitziet, wordt het onderzoek vlokkentest genoemd. Meestal vindt de test rond een zwangerschapsduur van 11 of 12 weken plaats.
De arts kan het weefsel via de vagina weghalen of met een naald via de buikwand. Vaak houd je een paar dagen last van wat buikpijn. Na twee weken heb je de uitslag.
Navelstrengpunctie
Als de resultaten van andere prenatale onderzoeken onduidelijk zijn, wordt er heel soms een navelstrengpunctie gedaan. Dat betekent dat er met een dunne naald bloed uit de navelstreng wordt gehaald. Dit onderzoek vindt altijd plaats na de 18e zwangerschapsweek. De kans op een miskraam als gevolg van de punctie ligt op 1 procent.
Moeilijke keuzes
Wat doe je als je erachter komt dat je kind een aangeboren afwijking heeft? In dat geval kun je voor ontzettend moeilijke keuzes komen te staan: de zwangerschap uitdragen of misschien wel afbreken. Houd dat dus in je achterhoofd als je een besluit neemt over het meewerken aan prenatale testen. Het allerbelangrijkste uitgangspunt: er zijn geen foute keuzes. De beslissing ligt altijd bij jou als ouder en jij moet achter je besluit kunnen staan.
Door: Angélique van Beers
27-03-2009
Laatst gewijzigd op: 04-05-2010